Kar zdrži ni užitno.
Najstarejše hiše zamenjajo novejše ruševine,
gladek kamen se steguje proti starejšim ruševinam.
Toda jaz imam v sobi Under Milk Wood
in Richarda Burtona, ki kot pijanec,
ki v sanjah s pramaterjo v posteljo lega,
na plošči prerokuje.
Sanja jo dvaindvajset let staro
in golo pod širokim, črnim krilom,
njene noge zagorele od dela na nedostopnem polju.
V eni dlani težka njene bele prsi,
medtem ko ji z drugo mokro telesce napenja.
Škropijo ulice proti vročini, že ob desetih zjutraj.
Kupil sem češnje, z mrzlo vodo jih sperem
in stekleno posodo odložim na granitno mizo
sredi žgočega vrta.
Ponoči se še bolj segreje,
strešniki v žarečih vrstah
sevajo v sobo, v kateri leživa
in si prisluškujeva, kako spiva.
Nobeden od naju ne spi.
Slišim te vzdihovati v polsnu, glasneje in enakomerno.
Zdi se mi, da slišim svoje ime. Pristanek
je za hip, za vmesni trenutek
hladen kot voda na mojih stopalih.
Tvoja vrata so odprta. Okno je odprto.
V toploti ležiš odprta na pregrinjalu.
Ko potem, dve uri zatem, spet zaplavam po toku navzgor,
ti že spiš. Prva svetloba uzre
intimno svetlikanje, ki sva ga pustila za seboj.
Kupil sem češnje.
Mlado dekle mi je v dlan položilo dve za pokušnjo;
potežkal sem ju, komaj opazno, in dolgo zrl v njene oči.
Zenici sta ji zatekli.
S črnima češnjama me je zagledala.
Cel funt sem jih kupil od nje,
po postelji posejal zlizane koščice,
na kar si v smehu in znoju rekla nekaj o zrelih češnjah.
Korenine v strešnem žlebu se leta kasneje
hranijo z najinimi ruševinami,
“drevesce si, globoko si obrezana,
vrti se ti,” kot je pravil stari pesnik.
Cvetiš šele decembra, ko cvetovi padejo z neba,
hladni in drhteči kot balerina v prvi pomladi.
Imava čas.
Nocoj, ko z napušča na naju spet pade vročina,
ti bom zavrtel Under Milk Wood.
Leživa tu, s telesi, odprtimi kot ušesa,
ljubezen in znoj nama skandirata.
Prevod: Staša Pavlović
Wat stand houdt is oneetbaar.
De oudste huizen worden ingeruild voor nieuwer puin,
en gladde steen reikt al de hand aan ouder puin.
Maar ik heb Under Milk Wood in de kamer
en Richard Burton die, als een dronkeman
die in zijn droom met zijn oermoeder slaapt,
waarzeggerij verkoopt op plaat.
Hij droomt haar tweeëntwintig jaar
en bloot onder een wijde, zwarte jurk,
haar benen bruin door landwerk op een onbereikbaar veld.
Haar witte borsten weegt hij op zijn ene hand,
terwijl hij met de andere haar natte lijfje spant.
Men spuit de straten tegen hitte, om tien uur ’s ochtends al.
Ik heb kersen gekocht, ik spoel ze met koel water,
en zet de glazen schaal op de granieten tafel
in de verzengde tuin.
’s Nachts wordt het warmer nog,
de pannen liggen in gloeiende rijen op het dak
en stralen door tot op de kamers waar we liggen
en luisteren hoe de ander slaapt.
We slapen geen van beiden.
Ik hoor je zuchten in halfslaap, luider en regelmatig.
Ik denk dat ik mijn naam versta. De overloop
is even, een ogenblik daar tussenin,
zo koel als water aan mijn voeten.
Je deur is open. Het raam is open.
In de warmte lig je open op de sprei.
Als ik dan, twee uur later, weer tegenstroom opga,
ben je al ingeslapen. Het eerste licht ziet de
intieme glinstering die we daar samen achterlaten.
Ik heb kersen gekocht.
Een jonge vrouw gaf me er twee ter keuring in de hand;
ik woog ze, met een klein gebaar, en keek haar heel lang aan.
Daarop vergrootten haar pupillen.
Met zwarte kersen zag ze mij.
Ik kocht het volle pond van haar,
strooide de schoongelikte pitten in het bed
waarop je lachend in het zweet iets over rijpe kersen zei.
De wortels in de dakgoot, jaren later,
voeden zich met het puin van jou en mij,
een boompje ‘dat diep wordt gesnoeid en duizelt,
lief’, zoals de oude dichter zei.
Het bloeit pas in december, als de bloesems uit de hemel komen,
koud en rillerig als een ballerina in haar eerste lentetij.
We hebben tijd.
Vannacht, als de hitte uit de nok weer op ons valt,
laat ik je Under Milkwood horen.
We liggen er, met lichamen als open oren,
liefde en zweet scanderend bij.